Tante Janny

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Bijzonder bezoek vandaag: tante Janny uit Canada. Zij is na het overlijden van haar man Hidde in januari dit jaar nu de oudste van de Feenstra’s, het gezin van mijn moeder. Drie van hun zes kinderen verloor ze al eerder, door ziekte en door een bedrijfsongeval.

In niets is deze lady van 83 veranderd. Met een stralende lach komt ze ons huis in Kampen binnen en verovert meteen de harten van ons allemaal. Vol aandacht voor onze verhalen en voor de bloemen in de tuin.

Nooit eerder sprak ik haar over de oorlog, wel wist ik dat deze op een of andere manier grote impact had gehad op haar leven. Vandaag vertelde ze haar verhaal. Als Rotterdams meisje van 11 maakte ze het tweede grote bombardement in Rotterdam mee. Bedoeld voor schepen in de haven vielen de Amerikaanse bommen op woonwijken in Rotterdam West. Ook het huis van haar gezin, vlakbij de Schiedamseweg, raakte totaal verwoest. Zijzelf was op dat moment op school, in chaos door de enorme luchtdruk die de bommen veroorzaakten. In de verwarring ontfermde een wildvreemde man zich over haar, “Wij hebben geen kinderen, wij zullen wel voor je zorgen”, en ze onderging het gelaten. “Kennelijk” zegt ze nu, “werkt het zo, dat je je snel aan de omstandigheden aanpast en het meteen zo verwerkt.”

Als door een wonder heeft het hele gezin het bombardement overleefd en vonden ze elkaar weken later weer terug. Maar er was definitief een gat geslagen, verschillende bekenden waren omgekomen en zowel het huis als de groentewinkel van haar vader waren verwoest.

Na de oorlog vertrok ze met het gezin vanuit de Rotterdamse haven naar het Canadese vasteland. Om als pioniers vanuit vrijwel niets weer een bestaan op te bouwen. Mijn oom Hidde (Harry) die haar man zou worden ging enkele jaren later achter haar aan. Hun huwelijk duurde 62 jaar lang. Alles maakten ze samen mee, tot voor kort nog – in november 2014 – het tragische ongeval waardoor hun zoon en onze neef Rick bij een bedrijfsongeval werd verpletterd. Totdat in januari 2015 een prop in een vitale ader van Harry Feenstra oorzaak werd van zijn overlijden.

Aan het eind van de middag stapt ze weer vrolijk lachend in de kleine snikhete auto van mijn ouders. “Nou, je raakt hier niet onderkoeld!” roept ze lachend.

En wij, we praten – onder de indruk – nog lang na over het bezoek van deze sterke, markante familieoudste en haar relaas van vreugde en verdriet.

Stilstaan bij verdriet

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Zowel in Hasselt als in Kampen werd tijdens de kerkdienst op oudejaarsavond een moment stilgestaan bij de mensen die het afgelopen jaar zijn overleden. Een indrukwekkend gebruik, waarbij je aan alles merkt dat het dan opeens heel stil wordt. Het voelt zo goed om dit te doen, voor iedereen, maar vooral ook voor de mannen, vrouwen, kinderen die dichtbij deze mensen stonden en hen nu zo missen.

In Kampen stond ik tijdens dit moment van stilte vlakbij een oudere man. Hij was alleen in de kerk en tussen hem en mij was een lege stoel. Terwijl we allemaal stonden, werden een voor een de namen genoemd.

Er volgde een veelzeggende stilte, afgewisseld door de heftige knallen van het vuurwerk waar Kampen om bekend staat. Het orgel zette daarna langzaam en rustig in om het laatste couplet van de geloofsbelijdenis te begeleiden. De oude man bewoog, zocht iets… even later hoorde ik zijn gesnik, zachtjes maar duidelijk genoeg zodat ik het wist: hier staat een groot verdriet. Ik kon niet anders en schuifelde naar hem toe, legde mijn arm om zijn broze schouders en zong. Bijna aan het einde van het couplet gekomen, keek hij op en knikte me vriendelijk toe. Ik wist: het is genoeg zo. Na het lied zaten we dichter bij elkaar en luisterden samen naar het eindejaarsgebed.

Bij de collecte-pauze die volgde, vroeg ik het hem: ‘bent u dit jaar iemand verloren?’ Hij knikte en zei zacht: ‘Ja, mijn vrouw. Ze is enkele maanden geleden gestorven.’ Hij vertelde nog meer; dat ze aan slokdarmkanker was overleden, nadat hij haar een jaar lang had verzorgd. Ik zei het dapper te vinden dat hij er nu was. Het had hem ook wel wat moed gekost om te komen.

Toen hij zijn naam noemde, herkende ik die uit de lijst die was voorgelezen. Ik stelde me voor en vertelde hem dat ik hier af en toe kwam na zoveel jaren niet meer in de kerk te zijn geweest. Daarna gaf hij zijn adres – bij ons om de hoek – en zei: ‘je bent welkom.’